- Inleiding (klassikaal, 5-10 minuten)
Doel: Uitleggen wat "categorisatie" inhoudt.
Wat je zegt (voorbeeld): “Vandaag gaan we dingen sorteren of indelen in groepen die bij elkaar horen. Dit noemen we ‘categoriseren’. Denk aan het verschil tussen dieren die kunnen vliegen en dieren die over de grond lopen.”
Laat 2-3 voorwerpen of afbeeldingen zien (bijvoorbeeld een bal, een appel, een boek) en vraag: "Welke horen bij elkaar en waarom denk je dat?"
- Materialen voorbereiden (van tevoren klaarleggen)
Kies 15-20 items (foto's of echte objecten), zoals:
- Dieren
- Eten
- Schoolspullen
- Transportmiddelen
Zorg ervoor dat er meerdere logische manieren zijn om te classificeren (bijvoorbeeld op kleur, functie, type).
- Kleine groepjes of duo's vormen zich
Verdeel de klas in kleine groepjes van 2-4 leerlingen. Geef elk groepje een set materialen/kaartjes.
- Opdracht: sorteren en uitleggen (15-20 min)
Laat de kinderen de kaarten op een voor hen logische manier categoriseren. Ze zouden het volgende moeten doen:
- Groepeer de kaarten
- Geef elke categorie een naam (bijvoorbeeld: "dieren die in het water leven").
- Leg uit waarom ze iets in een bepaalde groep hebben geplaatst.
- Discussie en reflectie (klassikaal, 10 min)
Laat enkele groepen hun classificatie presenteren. Bespreek de verschillen:
- Hadden andere groepen een andere opzet?
- Wat viel op?
- Welke categorieën waren moeilijk?
